De
zegen als het gezicht van God (III)
Wie,
wat, hoe, waar en wanneer?
M. Derks, “De zegen als het gezicht van God (III): wie, wat, hoe, waar en wanneer?” De Reformatie 82, no. 38 (2007): 663-665. ©2007 Marco Derks
Aan het eind van elke zondagse eredienst krijgen we de zegen van de Heer
mee. Maar wat houdt die zegen in? En hoe zeker kun je zijn van datgene wat in de zegen verwoord wordt? In een serie van drie
artikelen willen we bezien hoe een theologie van de zegen ons kan helpen om God
te ervaren in het midden van het alledaagse leven. In de twee artikelen van de afgelopen twee weken werd een inleiding
gegeven in de theologie van de zegen, een bijbelstheologische verkenning en een systematischtheologische schets op hoofdlijnen.
In dit derde en laatste artikel bespreken we enkele praktischtheologische vragen en maken we een balans op.
Ambtstheologie
De (vrijgemaakte)
synode van Leusden heeft uitgesproken dat “in plaats van de voorgaande synodebesluiten (…) iedere broeder die
door de kerkenraad geroepen wordt in een eredienst voor te gaan, daarmee tevens de bevoegdheid ontvangt om in die kerkdienst
de zegen(groet) ongewijzigd uit te spreken, ook met opheffing van de handen.” De belangrijkste grond hiervoor is dat
“voor het zegenend groeten en zegenen van de gemeente in Gods naam (…) geen specifieke vereisten (gelden) die
dat element van de eredienst onderscheiden van diverse andere elementen waartoe de broeder die de dienst leidt bevoegd is.” Kortom, het zegenen wordt niet alleen aan de predikant toegestaan, maar aan
iedereen die van de kerkenraad bevoegdheid gekregen heeft om voor te gaan. Dit past binnen de protestantse traditie, omdat
de zegen hierin meer verkondigend dan priesterlijk is. Het is wel opvallend, dat daarmee de ambtelijke basis van de zegen verdwenen
lijkt. Vermoedelijk is dat te plaatsen binnen de toenemende functionalisering van het ambt (vgl. het “geen specifieke
vereisten”).
De vraag
wie er mag zegenen heeft van oorsprong te maken met hoe je aankijkt tegen het ambt. Binnen kerken van orthodox-gereformeerde
signatuur wordt gewerkt vanuit een ambtsleer die tussen de doperse en de rooms-katholieke instaat. De rooms-katholieke ambtsleer
kan christologisch of ontologisch genoemd worden, omdat de ambtsdrager daar Christus representeert: het heil komt via de bediening
door een voor het leven gewijde priester tot de gelovigen. De doperse visie kan pneumatologisch of functioneel genoemd worden,
omdat daarin iedereen Christus kan representeren. Binnen de orthodox-gereformeerde kerken zijn er mensen die evangelisch-charismatisch
georiënteerd zijn en voornamelijk deze mensen menen dat iedereen de zegen moet kunnen geven. Men doet dan vaak een beroep
op het idee van het ambt of priesterschap van alle gelovigen. Luther, bij wie deze gedachte vandaan komt, stond daarmee echter
geen democratisering van het priesterambt voor ogen, maar ageerde tegen de clericalisering in de Rooms-katholieke Kerk. Ook in 1 Petr. 2:5 en 9 wordt het priesterschap aller gelovigen niet gesteld
tegenover het ambt van oudste (vgl. 1 Petr. 5).
Authenticiteit
en congruentie
Het is juist
dat er voor het zegenen geen speciale vaardigheden nodig zijn. Toch kun je niet zomaar zeggen dat iedereen dat maar even kan doen. Tegenwoordig
is authentieke uitstraling van groot belang. Dat is niet alleen praktisch van belang, maar ook en vooral theologisch. Het
missen van authenticiteit bij de bediening van de zegen staat de werking van de zegen in de weg. Wanneer de zegen een bepaalde
stand van zaken constateert of wanneer het een opdracht is waarbij het uitgesprokene uitgevoerd moet worden, is het geloof of de authenticiteit van de voorganger niet relevant. Maar wel als de zegen als belofte
opgevat wordt. Voor een congruente manier van zegenen moet de zegenende persoon niet uit zijn op macht. Omdat hij of zij de
zegen doorgeeft, moet hij of zij deze eerst wel zelf ontvangen hebben. Ook is een goede relatie tot de gezegende van belang. Dat vraagt dus om een authentieke houding: het moet zichtbaar zijn dat je niet
maar een formule uitspreekt, maar dat je weet – weten als ervaringskennis – wat je doet.
Gezegende
zaken
Binnen onze
kerken kennen we alleen het zegenen van mensen, maar zouden we ook dieren of dingen kunnen zegenen? Rooms-katholieke priesters
zegenen bijvoorbeeld een nieuw ziekenhuis. Gemeenteleden vragen hun pastoor of predikant om hun huis of hun auto te zegenen.
Ik heb ook verhalen gehoord van mensen (binnen de Rooms-katholieke Kerk, maar ook daarbuiten) die hun dieren wilden laten
zegenen en van ziekenhuispredikanten die een nieuw ziekenhuis zegenden. Gemakkelijk kan dat als ‘bijgelovig rooms gedoe’
aan de kant geveegd worden. Maar wat dacht u van het in onze kringen bekende kindergebed voor het eten:
‘Here, zegen deze spijze.’ Hier wordt toch duidelijk om een zegen over een ‘ding’, namelijk eten gevraagd. Ook kan gewezen worden op de zegening van de dieren door God bij de schepping
(Gen. 1:22). Het zegenen van voorwerpen of dieren kan ons helpen onszelf terug te wijzen om dit concrete aardse leven, waarin
we deel uitmaken van een breder verband van medemensen, dieren, plaatsen – kortom van het geheel der schepping.
Waar
en wanneer?
Het gezegend
worden in de liturgische samenkomsten is wezenlijk voor de joods-christelijke traditie. De Aäronitische zegen uit Num. 6, die in de gehele canon zijn weerklank vindt,
stond centraal in de oudtestamentische eredienst. Luther voerde die zegen (mogelijk opnieuw) in als vast onderdeel van de
eredienst. De zegen hoort dus eerst en vooral thuis binnen de liturgie. Daar ontvangen
wij de zegen en van daaruit zijn wij anderen tot zegen. Een zekere hiërarchische onderschikking van andere plaatsen en tijden
om de zegen te geven lijkt mij daarom wenselijk.
In onze
kerkdiensten wordt de zegen aan het begin en aan het eind gegeven. De zegen is een vast onderdeel van de eredienst en is bestemd
voor alle gelovigen. In de rooms-katholieke en lutherse traditie kent men de zogenaamde casualiën, zegenhandelingen die aan
enkelingen worden gegeven in nieuwe levenssituaties. Deze staan in de lijn van de handoplegging die in de vroege kerk plaatsvond
na de doop bij de toetreding tot de christelijke gemeenschap (vgl. Hand. 8:16v. en 19:5v.). Daarom is het zaak de relatie
tot de doop helder voor ogen te houden, hetgeen bijvoorbeeld gebeurt in het gereformeerde formulier voor openbare geloofsbelijdenis.
De casualiën dienen het heil in Christus in een nieuwe levenssituatie werkelijkheid te laten worden en verdienen m.i. een
heroverweging in de protestantse traditie.
De
kracht van de taal
Sommige
predikanten spreken de zegen in de eredienst in de aanvoegende wijs uit, anderen in de aantonende wijs. Bij de bespreking
van Num. 6 in het eerste artikel wees ik er al op dat de aanvoegende wijs zich het beste leent. In het tweede artikel benadrukte
ik in navolging van Luther en Bonhoeffer het beloftekarakter van het zegenen. Toch heeft de aanvoegende wijs een nadeel en
blijkt hier dat onze woorden tekortschieten: we missen de juiste ‘grammaticale middelen’ om de zegen op een juiste
wijze uit te spreken. We zijn namelijk niet in staat tot uitdrukking te brengen dat de zegen ‘van
buiten’, ‘van boven’ en ‘vanuit de toekomst’ tot ons komt.
Naast de
aanvoegende wijs die bijv. in de NBV gebruikt wordt (“Moge de Heer u zegenen.”) zou ik daarom twee alternatieven in de vorm van meer ‘parafraserende’ formuleringen
ter overweging mee willen geven. De eerste parafrase luidt als volgt:
“De
Heer zal met zijn zegen tot u komen.”
Hierin wordt
benadrukt dat God vanuit de toekomst naar ons toe komt. God ziet ons en blijft niet onbewogen.
De tweede
parafrase luidt zo:
“De
Heer zal zijn zegen over u doen regenen.”
In de eerste
plaats wordt hierin tot uitdrukking gebracht dat de zegen ‘van boven’ komt. Daarnaast wordt de zegen met de regen
vergeleken, dus aan iets ‘tastbaars’ uit de concrete werkelijkheid. Tenslotte past het beeld van de regen bij
de ‘uitwaaierende’ structuur van de priesterzegen: de zinnen worden steeds langer, de zegen spreidt zich uit over
ons en baant zich een weg tot in de uithoeken van de schepping.
In elk geval
wordt de zegen pas werkelijkheid wanneer deze ‘landt’ in ons leven. Alleen dan kan de zegen vervuld worden en
worden wij vervuld van Gods goedheid.
Naast de
vaste, uit de bijbel afkomstige formuleringen kunnen ook andere zegenformules gebruikt worden. Het feit dat in verschillende
situaties in de bijbel dezelfde zegenformule wordt gebruikt en in dezelfde situaties verschillende, geeft aan dat een vaste
formulering niet noodzakelijk is, wat wel het geval is bij magie. Dit betekent echter niet dat elke formulering juist is. Met een zegen als ‘ik
zegen jou met geduld, om beter te kunnen reageren op je kinderen’ wordt te weinig tot uitdrukking gebracht dat God zegent. Daarnaast kan deze ‘zegen’ als een (onmogelijke) opdracht ervaren worden en kan de vraag
gesteld worden of het niet ook of vooral van belang is de persoon in kwestie concrete handreikingen te geven om meer geduld
te ontwikkelen.
High fives
In sommige
gemeenten laat de voorgaande ouderling het opsteken van de handen achterwege bij het geven van de zegen aan het begin en het
einde van de eredienst. Dit komt m.i. voort uit een (onbewuste) angst voor manipulatie. Het misverstand is echter dat dan
verondersteld wordt dat men met woorden niet zou kunnen manipuleren. Naast het opheffen van de handen kan in bepaalde situaties ook voor handoplegging
gekozen worden: niet alleen een gebaar, maar ook aanraking. God komt dan nog dichterbij: Hij raakt je als het
ware aan. Authenticiteit bij de zegenende, congruentie (tussen woord, gebaar en/of aanraking) en het aanvoelen van de juiste
context (tijd, plaats, sfeer) dragen bij aan het terugdringen van de mogelijkheid van manipulatie.
Uitzicht
Het verlangen
naar meer is vaak een verlangen naar nieuwe ervaringen, nieuwe rituelen en nieuwe gaven. Vaak wordt dan de kritische vraag
aan de kerken gesteld, waarom velen in onze kerken weinig willen weten van tongentaal en van bijzondere ingevingen van de
Geest. Wanneer we kijken in welke context mensen in de bijbel van zegen spraken, dan blijkt het juist te gaan om hele normale
en alledaagse dingen. Zou het van daaruit niet beter zijn eerst te leren zien waar we God herkennen in wat we al hebben en
ervaren? Als we zouden leren om op een legitieme manier de Naam van de Heer te verbinden met wat we krijgen en meemaken, zouden we dan niet veel meer ‘winst’ boeken?
Als we God
niet echt kunnen zien in iets als het brood op ons bord, dan dringen we Hem steeds verder terug uit onze alledaagse werkelijkheid
(God als Lückenbüßer). In dat opzicht zou veel verlangen naar
meer juist leiden tot een ‘uitstel van executie’. Kortom, het ‘meer’ in het verlangen naar meer moet
niet als kwantitatief, maar als kwalitatief gezien worden. En als we dat echt hebben geleerd, als we God hebben leren
zien in wat we al hebben en ervaren, dan kunnen we ook hopend uitkijken naar nieuwere en andere dingen waarin God iets van
zich laat zien. Uiteindelijk zullen we God zien van aangezicht tot aangezicht, zullen we oog in oog staan met de Heer van ons leven (1 Kor. 13:12)!